De "Sleutel"

 

Menigeen zal zich afvragen hoe het kan dat je zoveel kunt uitstralen en het daardoor zo koud wordt.

 

De kneep zit hem eigenlijk in het evenwicht tussen uitstralen en instralen.

Het vermogen dat je uit kunt stralen is heel simpel:

Het is een constante (Stefan Boltzman  5,67E-8) vermenigvuldigd met de emissiviteit (bijna 1) en vermenigvuldigd met de absolute temperatuur tot de vierde macht.

Dit betekent bij 16 graden Celsius 400W/m2

 

De sleutel zit hem in het instralen. Deze moet zo weinig mogelijk zijn.

De instraling is afhankelijk van de straler boven je.

Simpel gezegd, het is afhankelijk van de dikte van de materie boven je en van de oppervlakte waar het object naar kijkt.

De materie boven je, dat zijn de waterdeeltjes (wolken) en de (broeikas) gassen. Bij heldere hemel kan dat weinig zijn.

Weinig materie betekent transparant en dan kijkt een straler naar een temperatuur van een paar Kelvin (-269 graden Celsius)

De oppervlakte waar het object naar kijkt kun je ook beperken.

Als je maar naar een fractie van de atmosfeer kijkt, dan krijg je ook maar een fractie van de straling naar binnen.

De kunst is dus om de straler zo groot mogelijk te maken terwijl het instralen zo klein mogelijk moet zijn.

Een en ander kan gecombineerd worden met bijvoorbeeld een paraboolvorm waar de straler in zit.

Na onderzoek blijkt de laatste regel wel waar te zijn maar tegelijkertijd blijkt zowel de temperatuur als het vermogen afneemt.

Per saldo heb je dus minder vermogen om te koelen.

Home